Deel III: De aanloop naar de vervolging van Falun Gong
Het Tianjin Incident
Al dit onrecht slaagde er echter niet in de Falun Gongbeoefenaars te provoceren. Zij hielden zich aan meester Li's verklaring: “Anderen mogen ons dan wel slecht behandelen, wij behandelen anderen niet slecht, noch beschouwen we mensen als de vijand,” verdroegen de pesterijen en gaven deze bevooroordeelde mensen keer op keer de gelegenheid om te begrijpen wat cultivatie precies inhoudt en wat voor soort mensen beoefenaars zijn. Vele beoefenaars, waaronder CCP-leden en overheidsfunctionarissen, schreven op eigen initiatief naar de centrale overheid om vanuit hun eigen ervaring te getuigen dat Falun Gong positief bijdraagt tot de maatschappij en geen bedreiging vormt. Echter wie dergelijk beroep aantekende werd al snel bestempeld als “opposant van de Partij”, “verstoort het normale functioneren van de Partij”, of zelfs “antirevolutionair”. Een dergelijk label kan iemand’s job, woning of vrijheid kosten in het volledig door de CCP gecontroleerde China. Toch waren er vele beoefenaars die spontaan hun stem lieten horen en getuigden in het voordeel van Falun Gong.
Op 15 mei onderzocht Mr. Wu Shaozu, directeur van de Chinese Ministerie voor Sport, vergezeld van andere ambtenaren en de pers, de effecten van Falun Gong op het lichamelijk en geestelijk welzijn in de stad Changchun, geboortestad van Falun Gong.Het grote aantal protestbrieven leidde ertoe dat een groep vooraanstaande overheidsfunctionarissen onder leiding van Mr. Qiao Shi, voormalig voorzitter van de Chinese Senaat, in het najaar van ’98 een aantal wetenschappelijke onderzoeken op touw zetten om de impact van Falun Gong op de volksgezondheid en de maatschappij te onderzoeken, teneinde de controverse rond Falun Gong op te lossen.
Bij deze onderzoeken waren er tevens een aantal enquêtes, uitgevoerd in verschillende steden door staatsgecontroleerde medische instellingen in opdracht van de Staatsraad en het Ministerie van Sport. Meer dan 33.000 beoefenaars namen deel aan de enquêtes, die de meest systematische en overzichtelijke cijfers over Falun Gong beoefenaars ooit verzamelden (http://www.fsccentre.org/Summary of Health Surveys.htm). De resultaten tonen aan dat, van de ondervraagden, 98.7% een verbetering van de fysieke gezondheid ervoer en 97.7% zich mentaal beter voelde dankzij het beoefenen van Falun Gong.
Zich baserend op hun onderzoeken diende de groep een formeel rapport in bij het Politbureau van de Chinese Communistische Partij, met de conclusie dat “Falun Gong enorme voordelen brengt aan natie en volk en geen enkel nadeel.” Deze slotsom viel echter niet in goede aarde bij Partijvoorzitter Jiang Zemin, die verbitterd op het rapport kribbelde: “Te ingewikkeld; ik snap er niets van.” Overduidelijk met bijbedoelingen droeg hij de afhandeling van het rapport en aanverwante zaken over aan Luo Gan.
Luo Gan begreep wat hem te doen stond en aanvaardde zijn taak. Op 11 april 1999 publiceerde “dokter” He Zouxiu nogmaals een lasterlijk artikel over Falun Gong in een tijdschrift in Tianjin. Aangezien het artikel van naaldje tot draadje verzonnen was, trokken heel wat beoefenaars naar de redactie van het tijdschrift om over hun persoonlijke ervaringen met Falun Gong te vertellen en om het tijdschrift te vragen het artikel terug te trekken. Op 22 en 23 april 1999 viel een bewapende politiemacht op gewelddadige wijze Falun Gong beoefenaars aan die vóór het kantoor van het tijdschrift stonden te wachten voor een gesprek met de redacteurs, en 45 beoefenaars werden gearresteerd. Vreemd genoeg gaf de politie de beoefenaars de raad dat indien zij klachten hadden, zij zich maar moesten wenden tot de centrale regering in Beijing.
Het vreedzame protest van 25 april
Op 25 april 1999, gingen meer dan 10.000 beoefenaars in beroep buiten bij het Openbare Klachtenbureau in Beijing. Beoefenaars stonden netjes op het trottoir en lieten ruimte voor voorbijgangers en verkeer.Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en twee dagen later, op 25 april 1999, kwamen zowat 10.000 Falun Gong beoefenaars in stilte samen in Beijing voor het gebouw van het Klachtenbureau van de Staatsraad – dat zich bevindt naast het kantoor van de Chinese leiders – om de vrijlating van de in Tianjin opgepakte beoefenaars te bepleiten evenals de stopzetting van de ban op Falun Gong lectuur.
De samenkomst verliep vreedzaam, ordelijk en voorbeeldig. De beoefenaars stonden in rijen van drie tussen het voetpad en de rijweg zodat ze het verkeer niet hinderden; ze gaven voorbijgangers de raad door te wandelen om geen wanorde te veroorzaken; sommigen ruimden zelfs het vuil van de straten op. De politie gaf hen het bevel mee te komen naar de centrale leiding, en verdeelde de beoefenaars langs twee routes die samenkwamen aan de ingang van het Zhongnanhai gebouw – het kantoor van de Chinese leiders. De twee verschillende routes maakten dat de beoefenaars het Zhongnanhai gebouw omsingelden, wat achteraf als beschuldiging gebruikt werd tegen Falun Gong.
Volgens getuige Dr. Shi Caidong, kwam premier Zhu Rongji omstreeks 7u30 naar buiten om te vragen wat er precies aan de hand was. Premier Zhu nodigde drie beoefenaars uit om met hem naar binnen te gaan voor een gesprek. Hieruit bleek dat premier Zhu een aantal dagen eerder het bevel had gegeven aan de Staatsraad om Falun Gong beoefenaars met rust te laten, maar niemand bleek op de hoogte te zijn van deze instructies. Later op de dag had premier Zhu een onderhoud met vijf vertegenwoordigers van de Falun Gong beoefenaars, en hij beval de vrijlating van de in Tianjin opgepakte beoefenaars. Toen ze het nieuws hoorden, verdwenen de beoefenaars in stilte naar huis. Deze samenkomst wierp internationale aandacht op Falun Gong.







