Deel III: De aanloop naar de vervolging van Falun Gong
Jiang’s persoonlijke kruistocht tegen Falun Gong
De vreedzame afhandeling van de petitie van 25 april werd positief onthaald door internationale waarnemers en media. Velen zagen het oplossen van een sociale kwestie met een compromis als een mijlpaal in China’s evolutie naar een moderne maatschappij.
Jiang Zemin, toenmalig voorzitter van de CCP, koesterde echter een diepe minachting voor de manier waarop premier Zhu de zaak had afgehandeld. Nog geen drie weken later, toen premier Zhu terugkeerde van een succesvol staatsbezoek aan de VS en Canada, kon Jiang zijn vijandigheid niet langer verbergen en bleef opvallend afwezig op Zhu’s verwelkomingceremonie.
Op 26 mei 1999, gebruikten de lokale autoriteiten in Hegang, in opdracht van de Centrale Regering, een hogedrukspuit om water op beoefenaars te schieten en hen te dwingen hun oefenplek te verlaten.Klaarblijkelijk op zoek naar een manier om zijn eigen autoriteit te vergroten, drong Jiang aan op een andere oplossing – zijn oplossing. Volgens betrouwbare bron hief Jiang zijn vuist in de lucht toen Luo Gan hem vertelde hoe de opkomst was afgehandeld, en krijste hij luidkeels: “Vernietig het! Vernietig het! Vernietig het resoluut!”
Tijdens een discussie over de bijeenkomst van de Falun Gong beoefenaars aan het Zhongnanhai gebouw op de eerstvolgende vergadering van het Staande Comité van het Politbureau, pleitte premier Zhu: “Laat ze gewoon hun oefeningen doen…” Nog voor hij zijn zin kon afmaken, wees Jiang met zijn vinger naar hem: “Dwaas! Dwaas! Het zal leiden tot de ondergang van onze Partij en de natie!”
Premier Zhu zweeg. Hij wist maar al te goed wat het betekende een kopstuk van de CCP tegen te spreken. In 1966 viel Liu Shaoqi, de toenmalige opvolger-in-spe van Voorzitter Mao, uit de gratie. Hij stierf drie jaar later, naakt vastgeketend aan een houten bord, na aanhoudende martelingen en vernederingen. In 1971 vluchtte Lin Biao, Mao’s tweede vermeende opvolger, voor zijn leven maar stierf in een mysterieus vliegtuigongeluk in Mongolië. In 1976 werd Deng Xiaoping, Mao’s rechterhand, “voor altijd uit de Partij gezet.” Deng had het geluk te kunnen overleven, en kwam later aan de macht. Hij trad echter in Mao’s voetsporen, en deed precies hetzelfde als wat Mao hem had aangedaan: hij ontsloeg zijn zelfgekozen opvolgers Hu Yaobang en Zhao Ziyang respectievelijk in 1987 en 1989. Zhao Ziyang viel uit de gratie omdat hij tegen het gebruik van geweld was bij de studentenbetogingen van 1989, werd daarom uit de Partij gezet en kreeg levenslang huisarrest. Deze zaken waren maar al te goed gekend door de aanwezigen op de vergadering, en niemand durfde Jiang een strobreed in de weg te leggen.
Hoewel de meeste overheidsfunctionarissen Jiang niet openlijk durfden tegenspreken, was zijn hardhandige aanpak allerminst geliefd, daar vele overheidsfunctionarissen Falun Gong beoefenden of er positief tegenover stonden. Sommigen schreven naar Jiang Zemin en andere CCP-kopstukken om een minder radicale aanpak voor te stellen. Het was Jiang echter menens en op 7 juni 1999 gaf hij een toespraak aan het voltallige Politbureau. Na deze toespraak besloot het Centrale Comité om Falun Gong te vervolgen.
Jiang’s toespraak van 7 juni werd al gauw doorgestuurd naar alle Partijtakken als officieel document van het Centrale Comité. De tekst beschuldigde Falun Gong beoefenaars ervan “met de Partij en de regering te vechten om de gunsten van het volk,” bepaalde “de houding van de Partij ten aanzien van Falun Gong,” en eiste een “harde aanpak” van hen die weigerden zich naar de standpunten van de Partij te schikken.
Chinese authoriteiten en media lanceerden openbare vernietigingen van honderdduizenden Falun Gong boeken en materialen over het hele land. De woorden op de stoomwals zijn 'Verpletter Falun Gong drukwerk.'Het was Jiang echter opgevallen dat de bestaande overheid en Partijorganisaties zijn persoonlijke kruistocht tegen Falun Gong niet met animo zouden steunen. In zijn speech gaf hij Li Lanqing, Ding Guangen en Luo Gan de bevoegdheid een orgaan uit de grond te stampen speciaal erop gericht de “Falun Gong kwestie” aan te pakken. Dit was de oorsprong van het beruchte “610 Bureau”. Drie dagen later, op 10 juni 1999 werd de “Leidersgroep van het Centrale Comité voor de afhandeling van de Falun Gong kwestie” gevormd, zoals bevolen door Jiang, met Li Lanqing als hoofd. Ten dienste van deze “Leidersgroep” stond het “Centrale 610 Bureau” – de echte uitvoerende eenheid - onder leiding van Luo Gan.
De “Leidersgroep” en het “610 Bureau” werden opgericht als onafhankelijke organen binnen de Partij en de regering, met absolute macht over zowel de Partij als de regering. Het “610 Bureau” heeft de autoriteit om rechtstreekse bevelen te geven aan militair personeel, veiligheidsdiensten, politie, rechtbanken en het propagandaministerie, en bezit de macht om alle overheidsreserves en –systemen aan te spreken. Onder de “Leidersgroep” en het “Centrale 610 Bureau” bestaan er “Leidersgroepen” en “610 Bureau’s” op alle niveau’s van de Partij en de overheid, van federaal tot gemeentelijk niveau, elk met de macht om alle reserves en systemen op dat niveau op te eisen. Anders gezegd, het “610 Bureau” is Jiang’s persoonlijke controleapparaat op de gehele overheid.
Met alles onder zijn controle, was Jiang’s kruisvaart tegen Falun Gong in volle gang.







