Schending van China's wetten
Edelman en Richardson [1]
Het is niet ongewoon voor functionarissen van de Chinese Communistische Partij (CCP) om kritiek op de mensenrechtensituatie in China op onverschillige wijze te censureren door te beweren dat de kritische opmerkingen het Chinese beleid oneerlijk meten met buitenlandse standaarden. Terwijl deze beweringen op zich problematisch zijn, zijn ze, zoals de titel van dit stuk aangeeft, niet relevant voor wat betreft Falun Gong. Dit is omdat de CCP met haar vervolging van Falun Gong niet alleen internationale verplichtingen overtreedt, maar ook systematisch de Chinese wetten schendt.
Naast de recentelijk toegevoegde en veel versjacherde toevoeging aan een bepaling die stelt dat “de staat mensenrechten respecteert en beschermt,”(Artikel 33) bevat de grondwet van de Volksrepubliek China 16 andere bepalingen die specifiek verschillende rechten en vrijheden beschrijven. Deze bepalingen omvatten ondermeer de vrijheid van religie (Artikel 36), de vrijheid van meningsuiting (Artikel 35), en het recht op onderwijs (Artikel 46). Er zijn ook artikelen die onrechtmatige opsluiting verbieden (Artikel 37) en geweld tegen vrouwen, kinderen en ouderen (Artikel 49).
Desalniettemin, zoals de bewijzen gepresenteerd op de pagina’s van deze website suggereren, wordt in de vervolging van Falun Gong elk van de hierboven genoemde wetsartikelen geschonden.
De schendingen berperken zich niet tot de grondwet. Zoals de Chinese mensenrechtenadvocaat Gao Zhisheng benadrukt, heeft de CCP in de behandeling van Falun Gong bepalingen genegeerd van het Chinese strafrecht, als ook algemene gerechtelijke principes, zoals het verbod op wetgeving die met terugwerkende kracht toegepast kan worden (nieuws). In het rapport van de Human Rights Watch werd ook gewezen op wat het noemde “heersen onder een dun laagje juridisch vernis”. Hiermee werd geduid op de "wetgeving" waar Chinese beambten naar verwezen als de legale basis voor de verbanning van Falun Gong, die feitelijk in oktober 1999 werd aangenomen, drie volle maanden nadat de vervolging aanving (nieuws).
In andere woorden, toen Jiang Zemin actie wilde ondernemen tegen Falun Gong, deed het hem niks dat er geen wettelijke bepaling bestond hiervoor en dat de maatregelen waarom hij vroeg in strijd waren met de grondwet – als er geen wetten waren die zijn acties ondersteunden, deed hij toch eerst wat hij zelf wilde en creëerde de wetten later. Inderdaad, de campagne tegen Falun Gong is een continue herinnering aan het vermogen van de CCP om de grondwet met voeten te treden, een essentieel kenmerk van het legale systeem van de Volksrepubliek China. Zoals Daniel Chow; expert van de Chinese wet, zei, “de echte machtstructuur in China is niet te vinden in de grondwet. Echte macht is in handen van de Communistische Partij.” [2]
Voor een gedetaileerde lijst van specifieke artikelen in de Chinese grondwet en strafrecht die geschonden zijn in de vervolging van Falun Gong, zie hier.
Referenties:
[1] B. Edelman and J.T. Richardson, “Falun Gong and the Law: Development of Legal Social Control in China,” Nova Religio, Vol. 6, No. 2, April 2003, pp. 312-331, 312.
[2] D. Chow, The Legal System of the People’s Republic of China (St. Paul, 2003), p114.
R. Berring, Prof. of Law, University of California (Boalt Hall), affadavit to U.S. District Court, Northern District of California in the case of Jane Doe I, et al. v. Liu Qi on provisions of Chinese law relevant to the persecution against Falun Gong and Liu's role in it as formermayor of Beijing (link).
Falun Gong Human Rights Working Group, "The Chinese Government's State Violence against Women," 2002 submission to the United Nations Special Rapporteur on Violence against Women (link)
